Home/Kennisbank/Goede meerkeuzevragen maken: zo schrijf je afleiders die iets meten

Goede meerkeuzevragen maken: zo schrijf je afleiders die iets meten

Goede meerkeuzevragen maken: zo schrijf je afleiders die iets meten

Meerkeuzevragen lijken snel gemaakt. Toch zit het lastige deel niet in het goede antwoord, maar in de foute opties. Wie goede meerkeuzevragen wil maken, moet vooral nadenken over de afleiders: antwoorden die fout zijn, maar logisch klinken voor een leerling met een denkfout. Zijn de afleiders zwak, dan meet je vooral wie handig gokt. Zijn ze sterk, dan vertelt elke gekozen optie je hoe een leerling denkt. Hieronder lees je hoe je een heldere stam schrijft, afleiders kiest en na de toets controleert of ze werkten.

Goede meerkeuzevragen maken begint bij de stam

De stam is de vraag boven de opties. Een goede stam kun je ook zonder de opties beantwoorden. Lukt dat niet, dan is hij te vaag. Een paar vuistregels:

  • Zet de kern van de vraag in de stam, niet in de opties. Begint elke optie met dezelfde woorden, dan horen die woorden in de stam.
  • Vraag één ding tegelijk. Een stam die twee begrippen combineert, maakt onduidelijk welke fout de leerling maakte.
  • Formuleer positief. Een "niet" wordt onder tijdsdruk makkelijk gemist. Kun je er niet omheen, maak het woord dan goed zichtbaar.

Dek de opties af en lees alleen de stam. Weet een leerling die de stof beheerst nu al wat het antwoord is? Dan is je stam goed.

Eén antwoord dat echt het beste is

Precies één optie is juist, of in elk geval duidelijk de beste. Dat gaat vaak mis bij vragen naar "de belangrijkste oorzaak". Een leerling die veel weet, ziet dan twee verdedigbare antwoorden en twijfelt juist omdat hij de stof kent. Laat een collega de vraag maken zonder het antwoord te zien. Kiest die iets anders en kan hij het onderbouwen, scherp dan de stam aan of vervang die optie.

Hoe maak je afleiders die iets meten?

Een goede afleider is fout, maar aannemelijk voor wie de stof nog niet beheerst. De beste bron ben je zelf: welke fouten zie je elk jaar terug in schriften en oude toetsen? Die misconcepties zijn je afleiders. Na de toets zie je dan aan de gekozen optie welke denkfout een leerling maakte.

Neem natuurkunde. Veel leerlingen denken dat een lampje stroom "opgebruikt". Een afleider met precies die gedachte vangt wie zo redeneert. Een afleider die niemand serieus neemt, maakt de vraag alleen makkelijker. In de tabel staat dezelfde vraag zwak en sterk.

OnderdeelZwakke versieSterkere versie
StamWat is waar over stroom?In een serieschakeling staan twee gelijke lampjes. Wat geldt voor de stroomsterkte?
Goed antwoordDe stroomsterkte is in een serieschakeling overal even groot, hoeveel lampjes er ook zijn.Overal in de kring even groot.
Afleider 1Stroom kan gevaarlijk zijn.Na het eerste lampje kleiner dan ervoor. (Denkfout: stroom raakt op.)
Afleider 2Alle bovenstaande antwoorden.Door elk lampje gaat de helft van de stroom. (Denkfout: verwarring met spanning.)

Welke fouten verraden het goede antwoord?

Toetsslimme leerlingen vinden het goede antwoord soms via patronen in de opties. Let op deze valkuilen:

  • "Alle bovenstaande": wie twee opties goed ziet, weet het antwoord al.
  • "Geen van bovenstaande": je weet alleen dat de leerling fouten herkent, niet of hij het goede antwoord kent.
  • Ontkenningen: een gemist "niet" draait de vraag om en meet dan leesslordigheid.
  • Lengteverschil: het goede antwoord is vaak het langste en meest precieze. Maak alle opties ongeveer even lang.
  • Grammaticale hints: sluit maar één optie taalkundig aan op de stam, bijvoorbeeld in enkelvoud of meervoud, dan is dat het antwoord.
  • Woordherhaling: een woord uit de stam dat terugkomt in het goede antwoord, wijst de weg.
  • Absolute woorden: "altijd" en "nooit" staan vaak in foute opties, en leerlingen weten dat.
  • Vaste positie: staat het goede antwoord vaak op B of C, dan gaan leerlingen daarop gokken. Wissel de positie af of zet getallen op volgorde.
Lees ook:

Drie, vier of vijf opties?

Meer opties maakt een vraag niet beter. Een vierde optie die niemand kiest, kost alleen leestijd. Een bekende meta-analyse van Rodriguez uit 2005 concludeerde dat drie opties vaak volstaan: één goed antwoord en twee sterke afleiders. De gokkans is dan wel groter, een op drie in plaats van een op vier. Dat vang je op met meer vragen, die bij drie opties sneller te maken zijn. Heb je drie echte misconcepties, gebruik ze. Heb je er twee, verzin er dan geen derde.

Kun je met meerkeuze ook hogere denkniveaus toetsen?

Ja, als de stam meer vraagt dan herinneren. Ook in centrale examens staan meerkeuzevragen bij een tekst, bron of grafiek. Gebruik een situatie die de leerling nog niet kent en vraag naar toepassing of oordeel. Bruikbare vormen:

  • Welke conclusie volgt uit deze grafiek of tabel?
  • Welke verklaring past het best bij deze waarneming?
  • Wat gebeurt er met deze grootheid als je die andere verandert?
  • Een leerling redeneert als volgt. Waar gaat het mis?
  • Welk voorbeeld past bij dit begrip? Kies dan voorbeelden die niet in het boek staan.

Ook hier komen de afleiders uit echte redeneerfouten: een conclusie die te ver gaat, een omgedraaid verband of een verklaring die niet bij deze situatie hoort.

Hoe evalueer je afleiders na de afname?

Na de toets kijk je per vraag hoe vaak elke optie gekozen is, en door wie. Vergelijk de leerlingen die de hele toets goed maakten met de leerlingen die hem minder goed maakten.

  • Een afleider die vrijwel niemand kiest, werkt niet. Vervang hem of laat hem weg.
  • Een afleider die vooral zwakkere leerlingen kiezen, werkt zoals bedoeld. Bespreek die misconceptie in de les.
  • Kiezen sterke leerlingen een afleider vaker dan zwakke, dan is hij misschien ook te verdedigen, of klopt de sleutel niet.
  • Kiest een groot deel van de klas dezelfde afleider, kijk dan eerst naar je uitleg.

Combineer dit met de p-waarde en de rit-waarde van de vraag, en bewaar de verbeterde versie voor de volgende keer.

Een afleider die niemand kiest, is geen afleider maar opvulling. Een afleider die je sterkste leerlingen kiezen, is een signaal om de vraag opnieuw te lezen.

Hoe dit in TestWisely werkt

In TestWisely maak je een meerkeuzevraag met twee tot zes opties. Je markeert één optie als goed antwoord en kunt per optie een afbeelding toevoegen. Meerkeuzevragen worden bij het inleveren automatisch nagekeken. Na de afname open je bij de toets de statistieken. Op het niveau Medium zie je per vraag de p-waarde en de rit-waarde. Op het niveau Expert staat de afleideranalyse: per meerkeuzevraag welk percentage elke optie koos, voor de hele groep en apart voor de bovenste en onderste 27 procent op de hele toets.

Ismail Marghich

Quality Assurance Engineer TestWisely

Quality Assurance Engineer bij TestWisely. Test elke nieuwe functie voordat die bij scholen komt, van beveiligd toetsen tot toegankelijkheid.

Zien hoe TestWisely werkt?

Ontdek zelf hoe TestWisely uw toetsproces transformeert.

DEMO AANVRAGEN